Bad hosters moeten als criminele organisatie worden aangemerkt

Aanbieders van digitale infrastructuur worden in Nederland goed beschermd door een tweetal verschillende artikelen. Civielrechtelijk gaat het om artikel 6:196c lid 3 BW en strafrechtelijk om artikel 54a Sr. Dat is op zichzelf een goede zaak. Helaas zijn er ook zogeheten “bad hosters” die hun business om het laatste artikel hebben heen gebouwd.

SIDN directeur Roelof Meijer vraagt zich in een blog op de website van het .nl-registry over de toppositie op het gebied van het hosten van beeldmateriaal van kindermisbruik af waarom dat zo is:

De vragen die direct opkomen zijn: waarom is Nederland zo’n populaire plek om beeldmateriaal van kindermisbruik te hosten? En wat doen we daar tegen? Want het gaat tot slot om “een van de meest verwoestende vormen van criminaliteit” zoals minister Grapperhaus van Justitie & Veiligheid terecht stelt.

In het artikel geeft Meijer zelf al antwoord op die vragen:

Het is bekend dat er enkele bad hosters in zijn in ons land. Deze bedrijven hebben, hoe onvoorstelbaar ook, van het hosten van kinderpornografisch beeldmateriaal hun business gemaakt. Op meldingen hierover van het Meldpunt Kinderporno reageren zij niet en het materiaal wordt pas verwijderd als zij daartoe een gerechtelijk bevel hebben ontvangen. En dan pas op het allerlaatste moment, want tijd is hier geld. Juridisch gezien op het randje, moreel gezien ver erover.

Deze bedrijven maken misbruik van de wettelijke bescherming die bedoeld is voor bonafide telecom- en hostingbedrijven. Het idee achter artikel 54a Sr is dat een aanbieder van digitale communicatiediensten zelf pas strafrechtelijk aansprakelijk is ná een bevel daartoe van de officier van justitie die daar weer machtiging van de rechter-commissaris nodig heeft.

Als gevolg daarvan kunnen bedrijven gewoon hun gang gaan zolang ze niet zo’n bevel krijgen van de officier van justitie. Dit probleem is al lang bekend. In 2008 is door onderzoekers van Tilburg University al onderzoek naar de problematiek gedaan zie hun rapport: Wat niet weg is, is gezien. Een analyse van art. 54a Sr in het licht van een Notice-and-Take-Down-regime.

De toenmalige Minister van Justitie heeft toen aangekondigd het artikel te zullen aanpassen. Dat is helaas niet gebeurd als gevolg waarvan bad hosters hun gang gewoon nog kunnen gaan. Daarbij moet wel worden opgemerkt dat in het kader van publiek-private samenwerking er al héél veel is gedaan om misbruik van digitale infrastructuur aan te pakken. Zo is de Gedragscode Notice & Take Down nog recent aangepast.

Meijer stelt in zijn artikel voor om: “Ontwerp en toepassing van een bestuursrechtelijke aanpak van bad hosters die aan een melding van het Meldpunt geen (tijdig) gehoor geven;”. Dat gaat mij niet ver genoeg. Bad hosters die willens en wetens medewerking verlenen aan het hosten van inbreukmakend materiaal of zelfs aan een van de meest verwoestende vormen van criminaliteit actief meewerken moeten via het strafrecht worden aangepakt.

Mijn voorstel zou zijn om bad hosters aan te merken als criminele organisatie (artikel 140 Sr). Immers heeft de organisatie tot doel op misdrijven te faciliteren. De bescherming van artikel 54a Sr geldt dan wel ten aanzien van individuele casus. Het doel van de organisatie is om een van de meest verwoestende vormen van criminaliteit te faciliteren.

Het is daarom goed om te kijken naar wat er staat in beide artikelen. Artikel 54a Sr: “Een tussenpersoon die een telecommunicatiedienst verleent bestaande in de doorgifte of opslag van gegevens die van een ander afkomstig zijn, wordt als zodanig niet vervolgd indien (..)” en artikel 140 lid 1 Sr: “Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, wordt gestraft (..)“.

Interessant aan de redactie van artikel 54a Sr is dat er niet staat dat er géén sprake van strafbaarheid is van de tussenpersoon (hoster). Het is een verbod voor de officier van justitie om in die hoedanigheid te vervolgen indien de hoster meewerkt aan het verwijderen van bepaalde strafbare inhoud.

Wanneer de hoster echter tot doel heeft om doelbewust strafbare inhoud te faciliteren dan heeft de organisatie (de hoster) het oogmerk om misdrijven te plegen, zoals bedoeld in artikel 140 Sr. Wanneer er systematisch en bovengemiddeld veel sprake is van het hosten van strafbare inhoud én er ook – in tegenstelling tot de rest van de collega hosters – niet tegen opgetreden wordt na meldingen erover, dan is dat oogmerk mijns inziens gegeven.

Ook in het licht van de bescherming die artikel 54a Sr biedt zie ik geen beletsel. Dat artikel is bedoeld om bonafide hosters te beschermen. Een bonafide hoster zal onmiddellijk optreden na een (civiele) melding van onmiskenbaar onrechtmatige inhoud en al helemaal wanneer er sprake is van een van de meest vernietigende vormen van criminaliteit. Met dat oogmerk bestaat artikel 54a Sr.